October 20, 2011
“The Revolution Will Be Twittered”

Ook Nederland is aan de beurt. En uitgerekend op de dag dat de ‘occupy’ demonstraties zich onder anderen naar ons land uitbreidde, vind ik in het NRC Handelsblad van zaterdag 15 oktober geen berichtje terug over de ‘revolutie.’ Of toch, een column van Bas Heijne. Hij stelt in zijn column vraagtekens bij de revolutie.

De revolutie, die zoals velen beweren tot stand is gekomen door de sociale media. Ontevreden burgers die met al hun technische snufjes vastleggen wat er zoals gebeurt bij #occupywallstreet en dit onder deze tag verspreidde op de sociale media kanalen. Hoewel er verschillen zijn, is het niet vreemd dat vergelijkingen met de Arabische Lente worden gemaakt. Dit wordt door de betogers zelfs openlijk aangegrepen als inspiratiebron zo beweert Peter Zantingh.

Ook de protesten in Iran, wat als inspiratiebron voor de Arabische Lente gezien kan worden, kwam volgens New York University’s professor Clay Shirky tot stand door de kracht van sociale media. “This is it. The big one. This is the first revolution that has been catapulted onto a global stage and transformed by social media” zei hij in een interview met TED.com

Euforie alom. Sociale media kon de wereld veranderen. Wat zou dit betekenen voor de onderdrukte bevolkingen der aarde? Eindelijk democratie! Eindelijk vrijheid! De cyber-utopisten of Internet-centristen kregen gelijk. Niet veel later volgde de Arabische Lente, en nog geen jaar hierna #occupywallstreet. Had het nog mooier gekunt?

Helaas, het wrange zit ‘m in de benaming die Evgeny Morozov gebruikt voor mensen als Clay Shirky. Cyber-utopisten, alsof ze heilig overtuigd zijn in het niet haalbare. Vrijheid, dat is het laatste wat ze er voor terug krijgen. Dit beweert althans rasechte internet-dystopist Morozov. Hij schreef zijn boek The Net Delusion, met een alleszeggende ondertitel “How Not To Liberate The World”. De stelling van het boek is duidelijk: “To salvage the Internet’s promise to aid the fight against authoritarianism, those of us in the West who still care about the future of democracy will need to ditch both cyber-utopianism and Internet-centrism” (Morozov, 2011: p. xvii).

Tijdens de revolutie van Iran was er volgens Morozov veel meer aan de hand. Veel Iranezen waren bijvoorbeeld van mening dat de verkiezingen eerlijk waren verlopen. Slechts een handje vol – duizenden – jonge Iranezen beschuldigde de overheid van verkiezingsfraude, en juist zij gingen de straat op bewapent met smartphones (2011: p. 1). “The Revolution Will Be Twittered” was de eerste blogpost na het uitbreken van de protesten, waarin de link werd gelegd met sociale media. De rest staat beschreven in de Westerse media, want zoals het altijd gaat koos ook nu de media een verhaal dat vertelt ging worden. En na aanleiding van die eerste blogpost werd dit volgens Morozov: “how the internet was ushering in democracy into the country” (2011: p.1). Twitter leek almachtig, maar dit bleek onjuist.

Morozov brengt de internet mythe in zijn boek ten onder. Internet vrijheid is volgens hem een illusie. In de meeste gevallen helpt internet regimes juist. Esther Weltevrede’s voorbeeld van de Iraanse revolutie laat de mogelijkheden voor overheden zien: “there are stories of government operatives hunting down dissident voices, followed by Twitter users in turn exposing fake-accounts operated by government agents” (Shah & Jansen, 2011: p. 19). Het opsporen van de dissidenten werd door Twitter dus vergemakkelijkt. Wel of geen gelijk, Morozov’s verhaal was moeilijk te geloven toen zijn boek ironsich gezien uitkwam in de week dat de Arabische Lente begon. Geert Lovink, professor aan de Universiteit van Amsterdam zegt over die perdiode: “Als je het toen had gelezen, dacht je misschien: dit klopt niet, kijk maar naar de televisie. Daar organiseren mensen zich met behulp van Facebook. Maar een paar maanden later werd duidelijk dat het zo eenvoudig niet lag en krijgt hij steeds meer navolging.”

De vreedzame-demonstranten van de occupy-beweging zien de eenvoud nog wel, zij geloven er in. Zij gaan de Westerse wereld veranderen. Maar of dit daadwerkelijk gaat gebeuren is een tweede. En het uiteindelijke resultaat? Mooier dan Hannah Ellens had ik dat niet kunnen verwoorden: het is vooral een mooi verhaal om later aan je kinderen te vertellen. Het zal ze stimuleren te staan voor wat ze geloven. Maar het verschil maken dat doen ze niet.

Morozov, Evgeny. The net delusion. How not to liberate the world. London: Penguin Books, 2011.

Shah, Nishant. Jansen, Fieke. Digital alternatives with a cause. Book two tothink. The Hague: Centre for Internet and Society, 2011.

Dit artikel publiceerde ik ook op Metareporter.nl

October 11, 2011
Het digitale geheugen als Panopticon

Een goede vraag, die Arjen van Veelen zich stelde in zijn column van dinsdag 4 oktober in het NRC. Waarom vertrekken de ontevreden Facebook-gebruikers niet, als zij zo ontevreden zijn? Onlangs heeft het sociale netwerk een wijziging doorgevoerd, dat bij vele gebruikers in het verkeerde keelgat schoot.

Ook ik zag een bericht meerdere malen als kettingbrief voorbij komen. Boze Facebook-gebruikers die hun onvrede uitten over de zoveelste nieuwe privacy-instellingen. Informatie die je deelt is nu toegankelijker geworden en niet alleen voor je vrienden, zo beweren zij. Maar hoe erg is dat? Wat zijn de eventuele consequenties? Facebook functioneert tenslotte niet als persoonlijk dagboek waarin je intieme informatie publiceert, maar juist als etalage van jezelf, zo stelt van Veelen in zijn column. “Je zet het er toch zelf op?” vroeg Hanna Bervoets zich wijselijk af in DWDD van donderdag 29 september.

Over eventuele aanklachten omtrent privacy schending wil ik het nu niet hebben. Interessant zijn juist de mogelijke consequenties van het levenslang informatie etaleren over jezelf. Gepubliceerde informatie op het internet blijft namelijk bestaan. Hierover publiceerde Viktor Mayer-Schönberger vorig jaar zijn boek Delete. Hij schrijft hierin over de rol van vergeten en onthouden in onze maatschappij. Deze rollen zijn volgens hem aan het veranderen en deze veranderingen kunnen in potentie effect hebben op ons leven (Mayer-Schönberger, 2011: p. 12). Steeds vaker komt het voor dat informatie die door de maatschappij of individuen vergeten zouden zijn, onthouden zijn gebleken. Zo beschrijft Mayer-Schönberger de situatie van Stacy Snyder. Zij wilde docent worden, maar haar droom strandde: “Her behavior was unbecoming of a teacher […] An online photo showed her in costume wearing a pirate’s hat and drinking from a plastic cup. Stacey put this photo on her MySpace web page, and captioned it “drunken pirate”” (Mayer-Schönberger, 2011: p.1). En haar universiteit? Die weigerde haar daarom een diploma te geven.

Stacy’s voorbeeld is geen uitzondering. Volgens Mayer-Schönberger waarschuwen privacy experts al lange tijd voor dergelijke situaties. In het privacy debat hoor je veel kritiek over de toegenomen toezichtstechnologieën om menselijke activiteiten te tracken. De experts waarschuwen hierbij voor een digitale variant van Jeremy Bentham’s Panopticon (Mayer-Schönberger, 2011: p. 11). De Panopticon die Bentham ontwierp was een ‘ideale’ gevangenis, welke zo ontworpen was dat bewakers de gevangenen in de gaten kunnen houden, zonder dat zij wisten of zij al dan niet bekeken werden. Het resultaat zou zijn dat de gevangenen zich zouden gehoorzamen (Mayer-Schönberger: 2011, p. 11). Foucault gebruikt deze Panopticon als metafoor voor de werking van onze maatschappij. Hij laat hiermee zien hoe macht zich uitoefent in onze maatschappij (p. 11) en hoe dit abstracte concept werkzaam is op plekken waar orde gecreëerd dient te worden.

Communicatie theoreticus Oscar Gandy koppelt dit concept aan de toenemende mate van massa-toezicht in onze tijd. De volgende stap is namelijk het onuitwisbare digitale geheugen dat een ‘verderfelijke’ versie van de digitale Panopticon representeert (Mayer-Schönberger, 2011: p. 11). Mayer-Schönberger stelt: “as much of what we say and do is stored and accessible trough digital memory, our words and deeds may be judged not only by our present peers, but also by all our future ones” (2011: p. 11).

Stacey en vele andere voorbeelden zijn belangrijk bij het bewust worden van de mogelijke consequenties die het digitale geheugen kan hebben. En zoals Mayer-Schönberger zegt: “we may thus become overly cautious about what we say – in other words, the future has a chilling effect on wat we do in the present. Trough digital memory, the panopticon surveys us not just in every corner but also across time” (2011, p. 12)

Jarenlang raakte onze onschuldige ‘flapouts’ in de vergetelheid. We konden dingen tegen elkaar zeggen en bijna zeker weten dat het vergeten zou worden. We konden dingen tegen elkaar zeggen en zeker weten dat toekomstige bekenden dit niet te weten zouden komen, laat staan onbekenden of toekomstige werkgevers. Nu de sociale interactie van een offline wereld zich verplaatst naar sociale netwerksites, lijken wij weleens te vergeten dat deze flapouts niet worden vergeten. De geplaatste informatie die voor een bepaalde tijd en groep bedoeld was, blijkt toegankelijk voor anderen. Of zoals Marwick en Boyd dit zeggen: “While anyone can potentially read or view a digital artifact, we need a more specific conception of audience than ‘anyone’ to choose the language, cultural referents, style, and so on that comprise online identity presentation. In the absence of certain knowledge about audience, participants take cues from the social media environment to imagine the community. This, the imagined audience, might be entirely different from the actual readers of a profile, blog post, or tweet” (2010, p. 115). En deze digitale artifacts blijven bestaan op de centrale bedrijfsservers. Al deze bedrijfsservers zullen steeds beter doorzoekbaar worden. En iets dat nu als vanzelfsprekend gezien wordt, kan in een andere tijd en context in een geheel ander daglicht komen staan.

Ik kan me daarom gehoorzamen, ik kan toegeven aan het digitale geheugen als Panopticon en mezelf als object laten vormen door het subject. Ik kan stoppen met mijn activiteiten op de sociale media kanalen, gewoon de stekker eruit. Ik kan ervoor zorgen dat dit artikel niet gepubliceerd wordt door niet op de ‘publish now’ knop te drukken. Maar ook nu kan ik het niet laten. En de eventuele toekomstige gevolgen? Die neem ik ook dit keer maar voor lief.

Mayer-Schönberger, Viktor. Delete. The virtue of forgetting in the digital age. New Jersey: Princeton University Press, 2011.

Marwick, Alice. Boyd, Danay. ‘I tweet honestly, I tweet passionately: Twitter users, context collapse, and the imagined audience’. New Media and Society jrg. 13 nr. 114, 2010.

Dit artikel publiceerde ik ook op Metareporter.nl

September 25, 2011
De Ultra Erudiete Geest

Ze bestaan. Geheugenatleten, die tot 50 duizend getallen achter de komma van het getal Pi kennen, en dat uit hun hoofd. Ik kan je verzekeren dat daar heel wat uren in gaan zitten voordat dit onmogelijke, mogelijk is. Veel mensen zullen het er niet zijn, die het nut hiervan inzien. Joshua Foer, wetenschapsjournalist en schrijver van het boek Het Geheugenpaleis ziet dit nut wel degelijk. Hij ziet een verschuivend paradigma van feitenkennis-cultuur naar opzoek-cultuur, wat onze relatie tot kennis drastisch zal veranderen. 

Als je weet dat informatie is opgeslagen op het internet, is de kans groter dat je die informatie weer vergeet. Je investeert minder in je geheugen als je weet dat je het kunt opzoeken.”  Zo beweerd Foer in een interview dat zaterdag 24 september verscheen in De Volkskrant. Dit interview over zijn boek is een pleidooi over het nut van feitenkennis.Toch luidt het argument veelal “we vergeten die feiten toch, waarom zou je ze dan leren?” En juist deze tendens is de laatste eeuw volgens hem steeds meer merkbaar. In het onderwijs is ‘stampen’ de afgelopen eeuw zelfs bijna een vies woord geworden.

Het lijkt erop dat deze ontwikkelingen met de komst van het internet het laatste decennium razendsnel zijn toegenomen. Angst voor nieuwe opkomende media is echter al zo oud als de weg naar Rome en kent altijd hetzelfde patroon (Briggs, 2009: p. 10). Zelf draagt Foer het veel bespotte standpunt van Socrates aan, die de opkomst van het schrift bekritiseerde. Het zou de menselijke geest verarmen. Men kon door het schrift kennis opslaan, om het vervolgens weer te vergeten. Deze opgeslagen kennis was veel minder rijk dan kennis die slechts binnen de geest bestaat, vond Socrates.

Toch is Foer het ergens met hem eens. Hij zegt over die opgeslagen kennis: “Ik zie het als een verarming als we in de toekomst zullen geloven dat we geen ontwikkelde, erudiete geest meer nodig hebben omdat alles op internet is opgeslagen.” En het lijkt erop dat we steeds meer die kant opgaan.

Marshall McLuhan had dit in 1964 al door toen hij zijn veel geprezen boekUnderstanding Media: The Extentions of Man publiceerde. “We shape our tools, and thereafter our tools shape us” realiseerde hij zich als een van de eerste media theoreticus (Pariser, 2011: p. 1). Het is dus de technologie en in dit geval het internet dat ons vormt, ons laat denken en onze manier van handelen bepaald. Overeenkomstige technologisch deterministische ideeën zien we terug bij Bruno Latour, die mede grondlegger is van de actor-netwerktheorie (Bogost, 2009). Deze theorie bekijkt de relaties tussen verschillende entiteiten, zowel human als non-human en de mate waarop deze entiteiten een bepaalde agency bezitten, en met elkaar samenwerken. Zelf stelt hij dat: “a good actor-network theory account is a narrative or a description or a proposition where all the actors do something, and don’t just sit there” (Gane, 2008: p. 31). De relaties die verschillende entiteiten met elkaar aangaan, vormen een netwerk. Latour vindt het woord ‘werk’ hierbij essentieel: “You need to work in order to make a connection” (Gane, 2008: p. 31).

Wanneer in Foer’s voorbeeld een persoon (human), iets opzoekt op het internet (non-human) gaan deze twee entiteiten een relatie aan waarin aan beide kanten werk verricht moet worden. De twee entiteiten hebben elkaar nodig, het internet kan zijn antwoord niet leveren zonder die persoon en de persoon kan het zoekresultaat niet krijgen zonder het internet. Hierbij laat ik overige entiteiten als een toetsenbord, software et cetera buiten beschouwing. In dit voorbeeld hebben de twee entiteiten elkaar nodig en invloed op elkaar, ze hebben dus agency.

Ook Foer lijkt dit te zien. Het gevolg is, zegt hij, dat de afstand tussen wat we weten in onze geest en wat we weten in onze technologie steeds kleiner wordt. Volgens hem wil Google deze afstand zelfs helemaal weg hebben. Wat we weten in onze technologie en wat we weten in onze geest, zal dus op een zeker moment, één zijn. Als deze fictie werkelijkheid wordt, zegt Foer, lopen we: “niet alleen rond met onze eigen herinneringen, maar met de collectieve herinneringen van de hele mensheid, opgeslagen op internet”.

Als het waar is wat hij zegt - als de geest en technologie zoals we dit alleen kennen uit sciencefiction films daadwerkelijk samensmelten - dan kan Foer’s pleidooi direct de prullenbak in. Ook het argument “We vergeten die feiten toch, waarom zou je ze dan leren” zal haar bestaansrecht verliezen. Een nieuw argument zal opstaan: “Waarom zou je die feiten leren, dat heeft iemand anders al voor je gedaan.” We zullen het niet meer hebben over opzoeken van informatie, de informatie hebben we namelijk al paraat, in onze ultra erudiete geest.

Briggs, Asa. Peter Burke. Sociale geschiedenis van de media. Van boekdrukkunst tot internet. Amsterdam: SUN, 2009.

Gane, Nicholas. David Beer. New media the key concepts. Oxford: Berg, 2008.

Pariser, Eli. The filterbubble. What the internet is hiding from you. LondonPenguin, 2011.

Dit artikel publiceerde ik ook op Metareporter.nl

Liked posts on Tumblr: More liked posts »